Naar huis Terug E-mail

Een ras gered - de 62 IJslandse Honden van Ans-Beer-Schell

  • Dit verhaal verscheen in 1992 in Huginn og Muninn, het ca. twee keer jaarlijks verschijnende, tweetalige blad van de Vereniging IJsland - Nederland. Inmiddels (medio 1998) zijn uit deze hobby al zo'n 160 honden voortgekomen.

[Ans Beer: www.thyturstadir.com]

Uw scribent komt - wat dit verhaal aangaat - uit een volstrekt onverdachte hoek. Na sedert zijn inmiddels vroege jeugd vijf keer zonder aantoonbare motivatie te zijn gebeten en verder jarenlang door Hounds of Baskerville-achtigen en dito eigenar(r)en te zijn geterroriseerd ("gewone" honden opgelet: de volgende keer is het "Man bijt hond!"), was hij behept met een welhaast panisch antihondse instelling. Beweringen van de gevaren der wolfsachtigen verdoezelende baasjes in de trant van "Hij doet echt niets, hoor!" wuifde hij als niet ter zake doende terzijde, hebben die beesten immers het stukkauwen van een bot niet tot ultieme hobby verheven? Verder zijn ze (de honden, soms ook de bazen) meestal niet schoon, ze geuren onfris, de bazen kunnen geen enkele terechtwijzing verdragen en beslechten die dan bij voorkeur met: "Pas maar op, hij heeft een hekel aan mensen als jij!" Helaas spreekt de auteur uit ervaring.

Ans Beer-Schell en enkele van haar honden

Maar sedert omstreeks april 1992 is deze penneridder bekeerd, tenminste ... theoretisch (want hij bezit nog steeds geen hond) en dan ook nog maar aangaande 1 (gered) ras. "Welk ras?" hoort uw inktdienaar de geachte lezer m/v al mompelen.

Hij m/v zal uit de context van dit blad alsmede uit de kop boven dit verhaal reeds begrepen hebben dat het hier uitsluitend kan gaan om de zuiverste, liefste, schoonste, intelligentste, kleurrijkste, levendigste en knuffeligste hondensoort, de enige, waaraan Huginn og Muninn ooit een bladzijde zal wijden, met andere woorden: het IJslandse ras.

Maar hoe is zoiets mogelijk, vraagt u zich mogelijk af. Heel eenvoudig. Op een doordeweekse ochtend in april 1992 wordt ondergetekende door de hem tot op dat moment onbekende mevrouw Beer-Schell uit Vught uit bed gebeld. Het gesprek gaat eerst over IJslandse klederdrachten, vervolgens over IJslandse paarden en tenslotte over IJslandse honden (overigens zonder storend geblaf op de achtergrond tijdens dat gesprek), waarbij mevrouw Beer-Schell al een tipje van de sluier oplicht over haar grote liefde voor dat ras en over haar activiteiten - maar hierover straks meer. Het gesprek eindigt harerzijds met een verzoek tot toetreding tot onze doorluchte vereniging, hetgeen welwillend wordt ingewilligd, en aan des scribenten zijde met de toezegging om naar de gezochte afbeeldingen van klederdrachten te zullen zoeken en ook eens langs te komen. Overigens noemde de dame aan de telefoon terloops haar leeftijd (en uw chronist acht zich bevoegd het getal 80 hier openbaar te maken, want dat is nou weer typisch een damesleeftijd waarover zonder hand voor de mond kan worden gepraet; tussen 29 en 79 mag immers niet eens worden gefluisterd). Zo'n gezegende leeftijd had uw telefonerende schrijver zeer beslist niet bevroed en hij stak zijn bewondering - gezien de zorg voor 2 1/2 paarden en 18 honden - dan ook niet onder stoelen of banken. Het antwoord uit Vught luidde: "Ach, uitrusten kun je altijd nog in de eeuwigheid!" Daar zit wat in.

Genoemde wederzijdse afspraken werden stipt nagekomen en zodoende kwam het tot op heden tot twee ontmoetingen met de paardjes, met de hondjes en uiteraard met ons nieuwe lid zelve te Vught. Nu wist deze inktwellusteling u reeds elders in dit nummer te berichten dat (IJslandse) paarden bijzondere en veelal aardige dieren zijn, maar dat met die honden, dat heeft hem toch wel zelf verrast. Zijn ervaringen tot nu berustten immers op de intens keffende, miezerig ogende straathondjes die vanuit nagenoeg elke IJslandse boerderij onvermijdelijk tot op 0,2 millimeter naar de langsdenderende Landrover van uw scribent stoven om vervolgens onverrichterzake weer terug naar de boerderij te slenteren.

Alleen al zijn (d.w.z. des pennelikkers) samen met die van zijn (hier niet afgebeelde) negenjarige Turkse buurman Özmen Igrek door het woonkamerraam van mevrouw Beer-Schell naar binnen geworpen blik bewerkstelligde dat 10 goedmoedige, met kijfstemmen onmiddellijk reagerende pluizebollen als bezetenen de bezoekers uitbundig begroetten, waarop in ieder geval uw informant, zie de eerste alinea, vooreerst verstijfd van ingebeten bijtangst, voor de deur bleef staan. Verbluffend snel is daarna het ijs (IJsland!) gebroken, heeft mevrouw Beer-Schell en hebben de wolkluwens de gasten welkom geheten en bewegen laatstgenoemde zich ongegeneerd, voorzichtig stappend om geen pup te vertrappen, tussen de krioelende massa. Verbluffend is niet alleen het kwispelende welkom maar ook de afwezigheid van enige viezigheid - menig "hondevrouwtjeshuisje" met een dusdanig aantal huisgenoten toont immers nogal wat decorumverlies; daar is hier geen sprake van. Op het minuscule binnenplaatsje (de ruimere paardewei ligt op ca. 50 meter afstand) razen en rauzen de oudere dieren heen en weer, over en naast de nu 7 weken oude puppies die vanaf hun 8e levensweek de toekomstige nieuwe eigenaren zullen bezighouden en verblijden.

Mevrouw Beer-Schell toont Özmen hoe een pup vast te houden zonder zijn voorpoten tot op apenmouwlengte uit te rekken en vervolgens wordt mijn buurman onmiddellijk ijverig gelikt als ware hij een magnumijsje. Vervolgens gaat mevrouw Beer-Schell even alleen naar de paarden en gaan wij gasten zolang op de tuinbank van het binnenplaatsje zitten. "Kom eens!" is voor twee willekeurige volwassen dieren het per omgaande opgevolgde signaal om gelijk aaibehoeftige poezen op onze schoten te klimmen en daar te blijven liggen, terwijl ze ons nog geen 5 minuten kennen. Ieder van ons heeft dan zo'n 13 kilo donzige, tarwekleurige resp. pikzwarte, beweeglijke en uitermate vertrouwenwekkende bontjassen op de knie.

Nadat mevrouw Beer-Schell terug is, wordt de op een spiekbriefje van 3 x 4 cm opgestelde lijst vragen over haar bijzondere hobby - liever nog: roeping - doorgewerkt. Hoe zit dat nou met dat ras? Hoe kwam u erbij? Hoe lang bent u al bezig? Hoeveel honden zijn er hier vandaan gekomen? Wat eten ze? Hoe houdt u ze zo schoon? Aan wie vertrouwt u uw puppies toe? Wat voor kleuren zijn toegestaan? Behaalt zo'n hondje ooit een prijsje? Is er al meer over geschreven? Zijn ze gehoorzaam? Hoe oud worden ze?

Welnu, uit monde van de geïnterviewde en op basis van enkele door haar verstrekte stukken uit tijdschriften en encyclopedieën mag het volgende aan u worden openbaard.

In elk geval komt als boeiend naar voren - als men haar mag geloven, en gezien allerlei andere, bevestigende publikaties moet dat ook - dat mevrouw Beer-Schell door haar initiatief en werk een belangrijke, wellicht zelfs cruciale rol heeft gespeeld om het ras in zijn zuivere vorm voor het uitsterven te behoeden.

Door de eeuwen heen werd de IJslandse hond nauwelijks vermengd met andere rassen en werd hij met name geselecteerd op taaiheid (schapen zoeken in metersdikke sneeuwstormen, paarden bij elkaar houden) en absolute vriendelijkheid. Ook werd het jachtinstinct uit zijn verre wolfsverleden vrijwel volledig weggefilterd. Dankzij zijn intelligentie werd de hond op IJsland een onmisbare hulp voor de boer en bedroeg de tegenwaarde van 1 hond op een gegeven moment 2 paarden plus 1 schaap!

Door talrijke honde-epidemieën door de eeuwen heen dreigde het ras uit te sterven en in de jaren '50 van onze eeuw was deze hond al een zeldzaamheid. Een aantal raszuivere dieren uit het Noorden en Westen van het land werden toen door een dame in Engeland gebruikt om op kleine schaal verder te fokken. Pas in de jaren '70 werden de eerste kennels op IJsland opgericht en vanaf 1985 verschijnt onze mevrouw Beer-Schell op het toneel. Zij betrekt de eerste dieren uit Denemarken (waar nog steeds wordt gefokt) en uit Duitsland. Dankzij haar gelukkige hand hebben inmiddels 62 dieren in de Heikantstraat 4 in Vught het eerste levenslicht aanschouwd. En dan niet zomaar een stel straathonden! Nee, voor minder dan 1 WERELDKAMPIOEN (Valencia/Spanje, april 1992) en natuurlijk al ca. 9 Nederlandse kampioenen doet ze het echt niet.

Binnen het ras zijn nagenoeg alle kleuren toegestaan; vooral "tarwekleur", maar ook vaal-wit, ja zelfs geheel zwart met enkele witte plekjes of chocoladebruin zijn toegestaan. Zo'n zeldzaam bruin exemplaar zag ik bij de "paardenfamilie" Nicole en Jón, zie elders in dit blad.

Voeding geven is volledig onproblematisch, toilet maken volstrekt overbodig. Deze dieren zijn namelijk niet alleen poeslief en daarmee overigens ook ideaal voor de kinderen, maar houden zich zelf ook even schoon en glanzend als genoemde muizeneters.

Het meeste genoegen aan de IJslandse hond beleven boeren en "boerachtigen", d.w.z. mensen die zo'n hond tijd en ruimte gunnen om veelvuldig te bewegen. De beestjes zitten namelijk tjokvol energie - u moest eens zien hoe 6 van die beestjes aan evenveel riemen mevrouw Beer-Schell in hun dolle enthousiasme zo wat over het weiland sleuren én ... toch gehoorzaam blijven luisteren! Bij boeren en buitenlui rennen de beestjes de ganse dag speels rond en worden in Nederland soms door fruittelers als vogelverschrikker (wat heet!) gebruikt. Zelf heb ik in 1979 in gezelschap van zo'n hond een paar dagen op IJsland paard gereden - dat beestje liep ten minste de drievoudige rijafstand om de paarden heen.

Het genot voor de bezitter is bijkans eindeloos: mevrouw Beer-Schell verhaalde over een haast bijbelse hondenleeftijd van 18 jaar. U voelt zich al aspirant-koper en wilt de prijs weten? Neen, daarvoor moet u zich toch echt in Vught zelf aanmelden (+31 (73) 6565442, bij afwezigheid s.v.p. bandje inspreken). Maar kieskeurig is mevrouw Beer-Schell wel! Ze kijkt u dan lang en diep in de ogen om te zien of zo'n toekomstige pup (gereproduceerd wordt alleen op bestelling!) het bij u thuis wel goed zal hebben. Maar wat is er op tegen om zich eens diep in de ogen te laten kijken en tegelijkertijd van de gelegenheid gebruik te maken om alvast vrijblijvend van de volop aanwezige pluizebollen te genieten?


Naar huis Terug Naar boven

© 1997...